Bouwen
Submit to TwitterSubmit to LinkedIn
 
Utrecht - mei/juni 2017

Blauwdruk...

Onlangs publiceerde het Centraal Planbureau een rapport over de samenwerking tussen onderwijs en kinderopvang (CPB, 2017). Het CPB stelt daarin dat de voordelen van intensieve samenwerking tussen opvang en onderwijs beperkt zijn en er ook nadelen aan kunnen kleven. Dat is wel even andere koek dan de analyse die de taskforce samenwerking onderwijs en kinderopvang twee maanden
later opleverde.

Het meest duidelijk wordt dit wel als je de titels van beide persberichten naast elkaar legt: ‘Tijd om door te pakken in de samenwerking tussen onderwijs en kinderopvang’, stelt de taskforce. Dit tegenover ‘Meer samenwerking kinderopvang en onderwijs geen wondermiddel’, van het CPB.
In het pleidooi van de taskforce zit een zekere urgentie om snel(ler) te schakelen vanwege het enorme rendement dat samenwerking oplevert. Het CPB stelt daar juist tegenover dat er vooral niet te veel geld en inspanning aan samenwerking moet worden besteed, vanwege de beperkte meerwaarde en risico’s voor aanbieders, ouders en kinderen.
 
Verfrissend
Het is wel eens verfrissend om een kritisch stuk te lezen over de meerwaarde van samenwerking tussen kinderopvang en onderwijs. Net als bij méér kwaliteit is er een zekere natuurlijke nei- ging om je niet te verzetten tegen meer samenwerking. Meer kwaliteit en meer samenwerking, ‘meer’ kan immers nooit ‘minder’ zijn, nietwaar?
In het hoofdstuk ‘Meerwaarde voor kinderen’ van het task- forcerapport lezen we welke voordelen worden toegedicht aan integratie van onderwijs en opvang: ‘Overgangen en “knips” waarbij een kind van de ene naar de andere instantie gaat, zowel gedurende de dag als gedurende hun kinderopvang-/schoolloopbaan, kunnen verschillende negatieve effecten hebben. Samenwerking kan het aantal overgangen waarmee kinderen te maken krijgen, verminderen en kan de overgang tussen kinderopvang en school vergemakkelijken, met een mogelijk gunstig effect op de ontwikkeling van kinderen.’
Een mogelijk gunstig effect op de ontwikkeling van kinderen. Het is een weinig overtuigende basis voor een solide ikc-businesscase.
 
Lappendeken
Ruben Fukkink, hoogleraar kinderopvang, stelde twee jaar geleden ook dat het kinderopvangsysteem in Nederland niet deugt vanwege die enorme hoe- veelheid overgangen. Het is een lappendeken, zegt hij: ‘Kinderen gaan maandagochtend naar de peuterspeelzaal, dan naar oma en dinsdag naar een gastouder. Dan woensdag naar de dagopvang, donderdag is papa thuis en vrijdag past opa thuis op.’
Ook Fukkink stelt dat het integraal kindcentrum de redding is voor al die arme kinderen die nu lijden onder de gebrekkige Nederlandse infrastructuur van opvangvoorzieningen. Het kind dat Fukkink beschrijft als motief voor ikc-vorming is bepaald niet het gemiddelde kind in Nederland. De ‘lappendeken’ in de vorm van combigebruik van gastouderop- vang, peuterspeelzaal, dagopvang en informele opvang door één enkele peuter komt in Nederland niet of nauwelijks voor. Maar blijkbaar is dat beeld nodig om de ikc-gedachte te promoten.
 
Segregatiekaart
Als klap op de vuurpijl wordt ook de segregatiekaart getrokken om het ikc te promoten. De taskforce samenwerking noemt het ikc een medicijn tegen de zwarte-scholenproblematiek. ‘Als instanties meer gaan samenwerken en integreren, krijgen zowel kinderen als ouders met en zonder een migratieachtergrond meer kans elkaar te ontmoeten.’
Ook Fukkink gebruikte dit argument eerder als onderbouwing van ikc-vorming. ‘Dus niet de blanke kinderen naar de dagopvang en de zwarte kinderen thuis, twee ochtenden naar de peuterspeelzaal of een taalachterstandencursus’, stelt Fukkink. Door de harmonisatie van het peuterspeelzaalwerk is duidelijk geworden dat ook dit beeld ver van de werkelijkheid af staat.
Meer dan de helft van de peuters op de peuterspeelzaal komt uit een tweeverdienersgezin, heeft géén taalachterstand en combineert de peuterspeelzaal – naar volle tevredenheid – met informele opvang. Ook het CPB stelt het antisegregatie-motief voor ikc-vorming ter discussie.
 
Vooral geen blauwdruk
In alle onderzoeken over ikc-vorming staat steevast dat ikc’s geen blauwdruk voor alles en iedereen moeten worden. Zo lezen we in het taskforcerapport: ‘Er is geen behoefte aan een systeem van one-size-fits-all.’ Ook in het rapport van Kindcentra 2020 staat dit uitdrukkelijk vermeld: ‘Het wettelijk kader moet kindcentra mogelijk maken, naast andere voorzieningen waardoor diversiteit in aanbod blijft bestaan (er is geen sprake van een blauwdruk).’
Toch blijft dit een wonderlijke disclaimer, omdat ik in deze rapporten ook lees dat we kinderen die geen gebruik maken van een ikc schromelijk tekortdoen. Zonder ikc belasten we volgens de voorstanders kinderen immers met onnodige wi
sselingen en knips in de dag, in een gemankeerd en gesegregeerd opvangaanbod zonder doorgaande ontwikkelingslijn. Je moet als ouder wel gek zijn om dit grote risico te nemen en je kind daaraan – en daarmee wordt het huidige opvangaanbod bedoeld – bloot te stellen.
Dat is precies het beeld dat het CPB-rapport doorprikt en van een keerzijde voorziet. De voordelen van ikc’s voor ouders en kinderen zijn beperkt en ikc-vorming kan ook nadelen, risico’s en zelfs segregatie opleveren, zo stellen de CPB-onderzoekers.
Er is niets mis met de lokale ambities om ikc’s te vormen en landelijk te streven naar het wegnemen van belemmeringen. Dat kan ook zonder karikaturen en diskwalificatie van het huidige aanbod, en de beeldvorming over onrealistische rendementen die het CPB aan de kaak stelt.

Reageren? Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..
www.bbmp.nl