Bouwen

Submit to TwitterSubmit to LinkedIn

Nieuws

Herverdeling Rijksbijdrage onderwijsachterstanden nadert ontknoping

Februari 2018

Varianten toekomstige verdeling Rijksbijdrage onderwijsachterstanden bekend
Op 31 januari 2018 heeft minister Slob de Tweede Kamer geïnformeerd over de inzet van de extra middelen (€ 170 mln.) van het Regeerakkoord. Aanvullend heeft hij concrete varianten uitgewerkt voor de nieuwe verdeling van de Rijksbijdrage voor het gemeentelijk onderwijs-achterstandenbeleid (GOAB).

Verruiming aanbod voorschoolse educatie vanaf 2020 van 10 naar 16 uur...
Slob geeft in de brief aan dat het extra budget voor het GOAB bestemd is voor meer uren voorschoolse educatie voor peuters vanaf 2,5 jaar met risico op een onderwijsachterstand.
Ook stelt hij in de brief de kaders voor de uitvoering. Zo wordt het aanbod voorschoolse educatie voor kinderen met een risico op een onderwijsachterstand uitgebreid van het huidige minimum van 10 uur per week naar 16 uur per week. Ook moet het aanbod dan verdeeld worden over tenminste 3 dagen in de week. De minister stelt namelijk dat hij voor het nieuwe aanbod een maximum zal hanteren van 6 uur per dag. De ingangsdatum voor het nieuwe ruimere aanbod is januari 2020, maar in 2019 komt al € 130 van de € 170 mln. beschikbaar om ‘toe te groeien naar de uitbreiding van het aantal uren’.

Gemeenten en aanbieders aan zet...
Het is onvermijdelijk dat peuteropvang aanbieders met een aanbod voorschoolse educatie zich zullen moeten heroriënteren. Een aanbod van minimaal 16 uur per week past immers meestal niet in het huidige aanbod met korte dagdelen van veelal 2,5 of 3 uur per dag. Zelfs als kinderen al 5 dagen per week komen halen ze daarmee immers niet de gewenste 16 uur per week.
De minister onderkent dat er een knelpunt kan ontstaan in gemengde groepen waar peuters mét, en peuters zonder achterstandsrisico een aanbod volgen. Het is namelijk geen automatisme dat ouders van peuters bereid zullen zijn mee te gaan in een aanbod met meer uren en langere dagdelen. Is de omvangrijke groep ouders zonder doelgroep indicatie - die nu tevreden is met het huidige aanbod - bereid te betalen voor een uitgebreider aanbod? En hoe sluiten langere openingstijden van het nieuwe aanbod aan bij de schooltijden (halen/brengen andere kinderen)? De minister ziet gemeenten als probleemoplossers om het aanbod voor beide groepen peuters op elkaar aan te laten sluiten.

Uitwerking varianten herverdeling onderwijsachterstandenbudget voor gemeenten
De verruiming van het aanbod moet worden bekostigd uit de Rijksbijdrage voor GOAB die de minister aan gemeenten toekent. Als basis voor de verdeling van de Rijksbijdrage voor het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid zal de minister de nieuwe CBS indicator (in plaats van de huidige schoolgewichten) gebruiken.
Voor de verdeling zijn 5 varianten uitgewerkt en deze verschillen van elkaar op 3 punten:

a. omvang van de doelgroep: wanneer worden kinderen meegeteld als doelgroep voor voorschoolse educatie? Bij variant A. is de doelgroep klein, bij variant E. het grootst.
b. drempel: hoe groot moet het aandeel peuters met een achterstandsrisico zijn voordat gemeenten in aanmerking komen voor de Rijksbijdrage? Bij variant A. en B. geldt een drempelwaarde per gemeente, de overige varianten kennen geen drempelwaarde.
c. extra budget grote gemeenten: moeten grote gemeenten extra middelen krijgen? In variant D. wordt een deel van het budget uitsluitend verdeeld onder de G4 gemeenten.

In onderstaande tabel zijn de kenmerken per variant (A. t/m E.) toegelicht:

Varianten A: Sterke focus op grootste risico’s B: Focus op grootse risico’s C: Verbreden doelgroep D: Extra aandacht G4 gemeenten

E: Lichte risico’s tellen ook mee
Omschrijving Er geldt een drempelwaarde (5%). Gemeenten krijgen bij deze variant pas meer middelen (meer dan € 65.000), als sprake is van een relatief hoge concentratie van risico kinderen. Er geldt een drempelwaarde (5%). Gemeenten krijgen bij deze variant pas meer middelen (meer dan € 65.000), als sprake is van een relatief hoge concentratie van risico kinderen. Er geldt geen drempelwaarde voor de concentratie van risicokinderen en daardoor geeft variant C. een evenredige verdeling over gemeenten. In deze variant wordt € 75 mln. van het totaal budget  specifiek bestemd voor de G4 en wordt het restant verdeeld over alle gemeenten (incl. G4) conform de verdeling in variant C.
 
Er geldt geen drempelwaarde voor de concentratie van risicokinderen en in deze variant worden ook peuters met een klein achterstands-risico meegeteld voor de verdeling.
Omvang risicogroep peuters De risicogroep is beperkt tot 10% van de peuters met de hoogste achter-standsrisico’s. De risicogroep is uitgebreid tot 15% van de peuters met de hoogste achter-standsrisico’s (ook peuters met minder risico dan in A. worden meegeteld.)
 
De risicogroep is, in vergelijking met A. en B., verder uitgebreid tot 20%. 
van de peuters met de hoogste achter-standsrisico’s.
De risicogroep is gelijk aan variant , C. en omvat een brede doelgroep (20% van de peuters met het hoogste achter-standsrisico). De risicogroep is, in vergelijking met C. en D. verder uitgebreid tot 30%. 
van de peuters met de hoogste achter-standsrisico’s.
Aandeel peuters met fin. dekking Gemiddeld is er dekking voor 5% van alle kinderen. Gemiddeld is er dekking voor 10% van alle kinderen. Gemiddeld is er dekking voor 20% van alle kinderen.
 
Gemiddeld is er dekking voor 20% van alle kinderen. Gemiddeld is er dekking voor meer dan 20% van alle kinderen.
Effect kleine gemeenten Veel (185) kleine gemeenten krijgen het minimum-bedrag (€ 65.000). In vergelijking met A. ontvangen minder kleine gemeenten (73) het minimum-bedrag (€ 65.000).
 
Weinig (6) kleine gemeenten krijgen het minimum-bedrag (€ 65.000). Weinig (7) kleine gemeenten krijgen bij deze variant het minimum-bedrag
(€ 65.000).
Weinig (5) kleine gemeenten krijgen bij deze variant het minimum-bedrag (€ 65.000).
Effect grote gemeenten Grote gemeenten ontvangen relatief meer middelen. Grote gemeenten ontvangen relatief meer middelen.   Er is een even-redige verdeling tussen grote en kleine gemeenten (gem. € 1.450 per doelgroep peuter). De G4 ontvangen gemiddeld € 2.100 per doelgroep peuter, de overige gemeenten
€ 1.200.

Er is een evenredige verdeling tussen grote en kleine gemeenten (gem. € 950 per doelgroep peuter).


In variant A. is de doelgroep die meetelt voor de verdeling zeer beperkt gehouden. Slechts 5% van de peuters met de hoogste achterstandsrisico’s wordt gezien als doelgroep van de regeling. In variant E. is de doelgroep veel ruimer en worden veel meer peuters – ook met minder achterstandsrisico’s als doelgroep voor de regeling meegenomen. Het gevolg van een bredere doelgroep en een vast budget is wel dat het bedrag per doelgroep peuter daalt en ook dat komt tot uitdrukking in de nieuwe verdeling.

Argumentatie ROB onderbouwt scenario C. en E.
Als bijlage bij de brief van de minister is het advies toegevoegd van de Raad voor het openbaar bestuur (ROB) over de nieuwe bekostigingssystematiek voor het gemeentelijk onderwijs-achterstandenbeleid (GOAB). In dat advies staat onder andere: “de directe optelling van de achterstanden van kinderen (in plaats van schoolgewichten), zonder drempels, is consistent met uw keuze dat elke gemeente in staat gesteld moet worden zinvol onderwijsachterstandenbeleid te voeren. Deze keuzes waarborgen een gelijker kwaliteitsniveau over gemeenten dan de huidige verdeling.". De argumenten die in het advies worden aangevoerd ondersteunen met name de varianten C. en E. omdat daar geen sprake is van drempels voor gemeenten en de verdeling direct gekoppeld is aan de indicator.
Klik hier voor de tabel met per gemeente de huidige Rijksbijdrage voor gemeentelijk onderwijs achterstandenbeleid 2018 en de plus of min daarop voor variant C. en E. vanaf 2020.

‘Winnaars’ en ‘verliezers’ per variant
Als we kijken naar de grootste ‘winnaars’ en ‘verliezers’ van de nieuwe verdeelsleutel per variant krijgen we het volgende beeld:

Varianten

A:
Sterke focus op grootste risico’s

 

B:
Focus op grootse risico’s

C:
Verbreden doelgroep

D:
Extra aandacht G4 gemeenten

E:
Lichte risico’s tellen ook mee

‘Winnaars’ (gem. met grootste + tov 2018 in mln. €)

Rotterdam:
Den Haag:
Almere:
Amsterdam:
Zaanstad:

+14.4 
+11.4 
+8,5 
+6,2 
+3,8 

Almere:
Zaanstad:
Nissewaard:
Zoetermeer:
Heerlen:    

+7,7 
+3,0 
+2,8 
+2,7 
+2,5 

Almere:
Zoetermeer:
Nissewaard:
Haarlem-mermeer:
Zaanstad:
 

+5,7 
+2,5 
+2,4 
+2,2 

+1,9 

Den Haag:
Almere:
Rotterdam:
Nissewaard:
Zoetermeer:

+4,3 
+4,2 
+3,2 
+1,9 
+1,9 

Almere:
Haarlem-
mermeer:
Zoetermeer:
Nissewaard:
Emmen:

+5,3 
+2,5 

+2,4 
+2,4 
+1,9 

‘Verliezers’
(gem. met grootse -tov 2018 in mln. €)

Apeldoorn:
Ede:
Den Bosch:
Leiden:
Utrecht:

-0,6 
-0,8 
-1,0 
-1,1 
-4,8 

Eindhoven:
Den Bosch:
Leiden:
Amsterdam:
Utrecht:

-0,4 
-0,5 
-0,7 
-5,4 
-5,4 

Eindhoven:
Utrecht:
Den Haag:
Rotterdam:
Amsterdam:

-1,1
-7,2
-10,2
-15,6
-18,8

Schiedam:
Haarlem:
Dordrecht:
Utrecht:
Eindhoven:

-1,2 
-1,2 
-1,4 
-1,7 
-2,1 

Eindhoven:
Utrecht:
Den Haag:
Rotterdam:
Amsterdam:
 

-1,4
-8,2
-13,3
-19,9
-22,9

 

De gemeente Almere heeft in alle scenario’s een forse toename van de Rijksbijdrage terwijl Utrecht in alle scenario’s met een korting wordt geconfronteerd. Voor de ‘verliezers’ geldt overigens dat zij niet alleen minder dekking krijgen maar ook nog eens moeten voldoen aan de verruiming van het aanbod voorschoolse educatie van 10 naar 16 uur per week. Ook voor de ‘winnaars’ die extra budget krijgen is er een vraagstuk of dat extra budget afdoende is om het aanbod voorschoolse educatie te verruimen naar 16 uur per week en welke investeringen noodzakelijk zijn om dat aanbod naadloos aan te sluiten op het aanbod voor peuters zonder indicatie.

Minimumbijdrage van € 64.000 per jaar voor alle gemeenten in alle varianten
In alle varianten is sprake van een minimumbedrag per gemeente van € 64.000 per jaar om daarmee tenminste een minimum aanbod aan voorschoolse educatie te kunnen realiseren. Dat betekent dat de 47 gemeenten die in 2018 nog geen Rijksbijdrage ontvangen - ongeacht de variantkeuze - kunnen rekenen op dit minimumbudget.

Overgangsregeling
De minister kondigt in de brief aan dat er sprake zal zijn van een overgangsregeling zodat gemeenten, aanbieders en scholen voldoende tijd hebben om zich aan te passen aan de nieuwe verdeling. De aanpassing van de verdeling van middelen staat voor januari 2019 gepland, de uitbreiding van uren voor 2020.

Besluitvorming over variant op korte termijn verwacht
Na overleg met de Tweede Kamer zal de minister een besluit zal nemen over de variant. Hij geeft aan dat de besluitvorming op korte termijn - dit voorjaar - moet plaatsvinden om voldoende tijd te hebben voor een tijdige implementatie.

Tot slot
De keuze van de nieuwe verdelingsvariant heeft niet alleen gevolgen voor de Rijksbijdrage aan gemeenten voor voorschoolse educatie maar ook voor de Rijksbijdrage aan schoolbesturen voor de vroegschoolse educatie. De gevolgen daarvan zijn ook toegevoegd in de bijlage bij de brief, zie https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2018/01/31/indicatie-bedragen-aanpak-onderwijsachterstanden-per-schoolbestuur.

Reageren?
Deze nieuwsbrief wordt samengesteld door medewerkers van Buitenhek Management & Consult. Op onze website www.buitenhek.nl kunt u zich hiervoor aanmelden. Reacties op de inhoud van deze nieuwsbrief kunt u richten aan Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..