Bouwen
Submit to TwitterSubmit to LinkedIn
 
Utrecht - maart/april 2017

Onderwijsachterstanden: wat mag het kosten?

Al enkele jaren is de discussie gaande over de investeringen van het rijk in onderwijsachterstandsbestrijding. Het gaat in die discussie niet alleen om de hoogte van het bedrag, maar ook om de verdeling van de middelen over scholen en gemeenten. Kleine gemeenten zouden meer budget voor onderwijsachterstanden moeten krijgen, en grote gemeenten minder. En daar wringt uiteraard de schoen.

Staatssecretaris Dekker van Onderwijs stelt zich op het standpunt dat ieder kind met een onderwijsachterstand even zwaar telt en dat er per kind dus - ongeacht de woonplaats - evenveel budget beschikbaar moet zijn voor een goede start op de basisschool. Nu is dat niet zo en hebben grotere gemeenten gemiddeld ongeveer 50 procent meer budget per kind met een achterstandsrisico dan kleinere gemeenten (zie tabel 1)
 
Nieuwe verdeelsleutel

De consequentie van de onevenredige verdeling over gemeenten zien we terug in de toegankelijkheid. In grote gemeenten is de ouderbijdrage van gesubsidieerde voorschoolse voorzieningen vaak lager dan in andere gemeenten. Ook zien we het in de omvang van het aanbod (in grote gemeenten is het aantal gesubsidieerde uren van voorschoolse voorzieningen vaak hoger dan in andere gemeenten) en in de kwaliteit van het aanbod (meer hbo-inzet dan in kleine gemeenten).
Een eerste poging van Dekker om van deze onevenwichtige verdeling af te komen, werd eind 2015 geblokkeerd door de Tweede Kamer. Deze gaf opdracht de herverdeling op te schorten en eerst een nieuwe verdeelsleutel uit te werken. Niet langer moesten de middelen worden verdeeld op basis van risico’s op achterstand, maar op basis van daadwerkelijke onderwijsachterstanden.
Dekker schortte de herverdeling een jaar op en vroeg het CBS zo’n nieuwe indicator te ontwikkelen. Deze nieuwe indicator en verdeelsleutel voor gemeenten van de onderwijsachterstandsmiddelen werd begin dit jaar opgeleverd. Het logische gevolg van deze meer evenredige verdeling is dat kleine gemeenten meer budget voor onderwijsachterstanden moeten krijgen, en grote gemeenten minder.
En daar wringt uiteraard de schoen. De grote gemeenten krijgen volgens de nieuwe verdeelsleutel namelijk niet een beetje minder, maar heel veel minder. Soms zelfs oplopend  tot halvering van het huidige budget. En dus stuurden de koepels van onderwijs, opvang en gemeenten onlangs een brand brief naar de politiek waarin zij pleiten voor verdubbeling van het budget voor onderwijsachterstandenbeleid Uitgangspunt van hun pleidooi is dat ongeveer 20 procent in plaats van zo’n 10 procent van alle peuters een onderwijsachterstand heeft. Een verdubbeling van het achterstandsbudget maakt dan iedereen blij: grote gemeenten kunnen opgelucht ademhalen en het huidige aanbod in stand houden, terwijl de kleine gemeenten meer financiële ruimte krijgen om daarbij aan te haken. Maar wat betekent verdubbeling van het budget precies?
 
Verdubbeling budget?
 
Als ik me even beperk tot het budget voor de gemeentelijke onderwijsachterstandenmiddelen, dan zou verdubbeling daarvan leiden tot een totaalbudget van 720 miljoen euro per jaar. Dat moet grotendeels ingezet worden om de onderwijsachterstanden bij peuters van 2,5 tot 4 jaar weg te werken. Nu hebben we in Nederland ongeveer 260.000 peuters. Als 20 procent - ofwel 52.000 peuters - een onderwijsachterstand heeft, dan bedraagt bij een verdubbeling het gemiddelde budget per ‘achterstandspeuter’ bijna 14.000 euro per peuter per jaar. In plaats van de nu beschikbare 7000 euro per peuter per jaar. De eigen middelen die gemeenten inzetten, de middelen die vanuit de kinderopvangtoeslag worden ingezet en de extra middelen die de komende jaren vanuit SZW over gemeenten worden verdeeld, laat ik dan nog buiten beschouwing.
Dat betekent dat we in Nederland - ook zonder extra budget - nu al meer geld uittrekken voor voorschoolse educatie voor achterstandspeuters dan voor het primair onderwijs dat ze daarna volgen (zie tabel 2) Het is niet verrassend dat met name onderwijsbestuurders vraagtekens plaatsen bij die verhouding. Het CBS heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het uitwerken en onderbouwen van een verdeelsleutel, die recht doet aan de onderwijsachterstandsproblematiek. Met consensus over de verdeelsleutel zijn we er echter nog niet. De vervolgvragen die nu op tafel liggen van het huidige én toekomstige kabinet zijn misschien nog wel lastiger.
Vinden we dat alle peuters met een onderwijsachterstand in Nederland zo snel mogelijk gelijke kansen op ondersteuning moeten krijgen? Is 6000 of 7000 euro per peuter voldoende voor een effectief vve-aanbod of hebben we daar inderdaad een verdubbeling van het budget voor nodig? En als we 360 miljoen extra budget kunnen vrijmaken, steken we dat dan in de voorschoolse of in de vroegschoolse periode? Over die keuzes zijn de meningen verdeeld, niet alleen tussen onderwijs en voorschoolse voorzieningen, maar ook tussen grote en kleine gemeenten.

column 042017

 

Reageren? Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..
www.bbmp.nl